De Haringvisserij
Op 7 juni 2008 is het een drukte van belang in de
haven van Scheveningen. Statig varen met vrolijke
vlaggetjes
versierde vissersboten achter elkaar de haven in. Het
eerste vaatje haring van het nieuwe seizoen wordt
aangeboden en gekeurd. Dit vaatje Hollandse Nieuwe wordt
volgens traditie bij opbod verkocht. De opbrengst gaat
naar een goed doel. De jaarlijkse Vlaggetjesdag
bevestigt de band die Scheveningen heeft met de haring.
Niet alleen Scheveningse vissers vissen op haring. In
veel traditionele vissersplaatsen zoals Vlaardingen,
Maassluis en Urk vormde de haringvisserij eeuwenlang een
belangrijke bron van inkomsten.
Op de Noordzee, de Zuiderzee en de Oostzee wordt al
eeuwen op haring gevist. Dat moet in de dertiende eeuw
begonnen zijn. De dichter Jacob van Maerlant noemde al
in 1270 de haring een geschenk van God, die de magen van
veel hongerigen vulde. Zeeuwen en later Hollanders
voeren de zee op en kwamen dikwijls met rijke vangsten
terug. De Hollandse steden groeiden snel en de magen van
al die nieuwe inwoners moesten worden gevuld. Vlees was
voor velen te duur, maar kleine vissen zoals haring, bot
en schol waren betaalbaar en daarmee een welkome
aanvulling op het eentonige menu van bonen, erwten, gort
en roggebrood. In de zeventiende en achttiende eeuw aten
velen gezouten haring zelfs bij het ontbijt. Gerookte
haring (bokking) was ook een geliefd exportproduct.
Er was dus veel vraag naar vis. De vissers bleven
aanvankelijk onder de kust, maar ze trokken steeds
verder, tot aan
IJsland, speurend naar de rijkste visgronden. Die verre
tochten waren mogelijk doordat de vis onderweg al
verwerkt werd. De haringen werden eerst gekaakt, dat wil
zeggen dat de organen van de haring eruit werden
gesneden. Vervolgens werden de haringen ingezouten en in
tonnen verpakt. Vanaf de vijftiende eeuw groeiden de
visvangsten omdat de vissers drijfnetten gingen
gebruiken, waar soms miljoenen haringen in zwommen.
Honderden Nederlandse vissersboten voeren toen op zee.
Andere bedrijfstakken profiteerden ook van de bloeiende
haringvisserij, zoals de scheepsbouw, de touwslagerij,
de zeilmakerij, de houthandel en houtzagerij. Haring was
gouden handel.
Maar de visserij was ook gevaarlijk en ongezond. De
vissers zaten opeengepakt in een muffe ruimte, het eten
was eentonig, het drinkwater na een lange tocht
nauwelijks nog vloeibaar. Er vonden regelmatig
ongelukken plaats en door stormen vergingen talloze
schepen. De vissersvrouwen zullen vaak hebben gebeden
voor de terugkeer van hun mannen. Ze hielpen ook mee
door de netten en vislijnen te repareren en hadden een
belangrijke rol als visverkoopsters.
Oudheidkamer d' Oude-Polle
|
In de loop van de
zeventiende eeuw ging het achteruit met de
haringvisserij. Door toenemende concurrentie
van onder meer Engeland en Noorwegen, door
hoge personeelskosten, maar ook door
kleinere visscholen voeren steeds minder
schepen uit. Na 1850 herleefde de visserij.
Veel beperkende regels werden afgeschaft.
Er werden vissershavens gebouwd in IJmuiden
en Scheveningen. De vissersvloot werd
gemoderniseerd. De zeilschepen maakten
plaats voor motorboten en de vis werd nu aan
boord gekoeld. Na 1960 kwamen er enorme
hektrawlers, die met indrukwekkende
sleepnetten visten.
De schepen leken op drijvende
visverwerkende fabrieken. Steeds meer vis
haalden ze boven. Zo veel, dat de Noordzee
leeg raakte. De Europese Unie greep in en
stelde voor veel vissoorten
vangstbeperkingen in. Ook de haring wordt
schaarser. Maar het feest rond de Hollandse
Nieuwe die elk jaar trots wordt
gepresenteerd, is onverminderd populair. De
vlaggetjes blijven wapperen. |

|
DE DROGE HARING
(traditional)
Al van een droge haring willen wij zingen,
ter ere van zijn kopje zullen wij springen.
‘t Is van zijn kop, springt er maar op:
‘t Is van de droge haring
Al van een droge haring zullen wij zingen,
ter ere van zijn oogje zullen wij springen.
‘t Is van zijn oog, springt er maar hoog:
‘t Is van de droge haring
Al van een droge haring zullen wij zingen,
ter ere van zijn balgje zullen wij springen.
‘t Is van zijn balg, springt er maar half:
‘t Is van de droge haring.
Al van een droge haring zullen wij zingen,
ter ere van zijn stertje zullen wij
springen.
‘t is van zijn stert, springt er met hert:
‘t is van de droge haring.
|
|