"De Haringbuys"
De allereerste buizen waren van oorsprong
Scandinavische typen die voor de kustvisserij werden
gebruikt. De originele naam was “Buza”. Deze benaming
komt voor in de Nieuwpoortse toltarieven van 1163. De
Graaf van Vlaanderen liet een tol van 8 denieren heffen
op de Buza die verse haring aanbrachten. Tot in de 15e
eeuw werd een kleine grotendeels open buis gebruikt in
Zeeland en Vlaanderen (daar Slabbert of Slapbuis
genoemd) voor de haringvangst in de kustwateren. Deze
kon zowel geroeid als gezeild worden. De bouw van
grotere, zeilende vissersvaartuigen begon in de
Nederlanden pas in de late Middeleeuwen. Tijdens de 13e
eeuw kwamen op de rivieren en in de riviermondingen van
Zuid Holland, Zeeland en Vlaanderen ‘Schouwen’ voor. In
de 14e eeuw werden bij de zeevisserij
hoogstwaarschijnlijk al ‘Pinken’ en in ieder geval
‘Hoekschepen’ gebruikt.
In de vroege 15e eeuw volgt het wellicht
bekendste vissersschip van Nederlandse bodem de “Haringbuys”.
De eerste echte Hollandse Haringbuys werd gebouwd in
Hoorn in 1415. Het is een rondspant kielschip, bedoeld
voor de vleetvisserij op haring met staande netten.
Kenmerkend zijn het hoge achterschip, de ingetrokken
boorden, de volle ronde boegen, een opgebouwd
achterschip of statie en een lengte van rond de 20
meter.
Ondanks de matige vaareigenschappen voeren
vissers in de 17e eeuw al helemaal langs de oostkust van
Engeland naar het visrijke gebied nabij de “Shetlandeilanden”.
Hierbij bleek bescherming van de toenmalige marine
absoluut noodzakelijk: De Engelsen overmeesterden op een
keer een Hollandse buis, onthoofden vervolgens de
voltallige bemanning en sloegen de hoofden van deze
vissers op in een harington. Deze ton werd naar Holland
gestuurd als waarschuwing tegen het vissen in Britse
wateren. Evenwel hebben de schepen van het type Haringbuys meer dan 400 jaar dienst gedaan bij de
Nederlandse visserij. Aan het einde van het eerste
decennium van de 17e eeuw visten de Hollanders met 3.000
buizen op de Noordzee. Deze vloot was bemand met 50.000
koppen! Pas in de loop van de 19e eeuw zijn de
Haringbuizen verdwenen. De laatste werd gebouwd in 1841
op de werf “’s Lands Welvaren” te Vlaardingen.
De beroemd geworden admiraal Piet Heyn groeide op in
een milieu van haringvissers en koopvaardijschippers in
een periode dat de actieradius van de Nederlandse handel
zich razendsnel uitbreidde. Niet langer voer men alleen
op naar de Oostzee, Engeland, Frankrijk en Spanje, men
zeilde nu ook op de Middellandse Zee en naar
West-Afrika, Azië, Midden-, Zuid- en Noord Amerika.
Omdat Nederland nog altijd in oorlog was met Spanje
gingen de commerciële vaart en de oorlogsvaart samen.
Piet Heyn heeft zijn eerste ervaring waarschijnlijk
opgedaan op schepen van zijn vader, zoals tienduizenden
jongens in de Nederlandse havensteden het zeemansvak
leerden. Hij begon zijn carrière op zijn 15e als zwabber
op de Haringbuys van zijn vader en werkte zich langzaam
op. Tijdens een van de reizen werd hij gevangen genomen
door kapers en uitgeleverd aan de Spaanse overheid
(1598). Heyn moest daarna vijf jaar als galeislaaf
roeien op de galeien. Dat weerhield hem er evenwel niet
van de Zilvervloot te overrompelen.
De Haringbuys ontwikkelde zich ook tot
koopvaardijschip (fluit). Een beroemd koopvaardijschip
van dit type was het VOC schip de “Gouden Buys”.

|
Het want is uitgeschoten,
God geev’ ons goede vangst
om haring is het wensen,
daarnaar is veel verlangst,
Om haring is het wensen, is het wensen.
Als wij maar haring vangen,
zo zijn wij wel tevree;
hoewel wij dapper zwerven,
geslingerd van de zee,
Hoewel wij dapper zwerven, dapper zwerven.
Wij hebben veel vijanden,
die ons vast nemen waar;
de rovers van Duynkerke,
de klippen hier en daar,
De rovers van Duynkerke, van Duynkerke.
De schadelijke winden,
het onweer van de lucht;
de zee met zijn tempeesten,
dat brengt ons op de vlucht
De zee met zijn tempeesten, zijn tempeesten.
Gij buisman laat u raden, al zijt gij op de
zee,
vreest God de Heer van herten,
gij krijgt zijn zegen mee,
Vreest God de Heer van herten, Heer van
herten.
|
|